Over Ethiek

ETHIEK EN BEDRIJFSETHIEK

bestaat uit 2 delen:
– Inleiding Ethiek – sub 1 t/m 7 en
– Bedrijfsethiek – sub 7 t/m 11

Het onderstaande is in feite een algemene inleiding in de ethiek. Ze dient als basis voor het omgaan met vraagstukken, die een ethische benadering vereisen. Ze is, anders verwoord, een wijzer bij het vanuit ethisch gezichtspunt beoordelen van de werkelijkheid; ook, als het bedrijfsethiek betreft, die van de bedrijfswerkelijkheid.

Deel 1: Inleiding Ethiek.

  1. HET ETHISCH GEZICHTSPUNT.

Elk gezichtspunt heeft binnen de werkelijkheid waarnaar wordt gekeken zijn eigen aandachtsveld. Iemand met moreel besef die voor een beslissing staat waarmee ook het welzijn/ belang van anderen is gemoeid, beziet een situatie vanuit een ethisch gezichtspunt, hetgeen betekent dat hij nadenkt over de vraag (zijn aandachtsveld): ‘hoe kan ik in deze situatie het kwade nalaten en zo mogelijk iets goeds doen?’

Wezen van moreel handelen is dat het gericht is op, en oog heeft voor het welzijn van individuele mensen in hun sociaal verband. Dat is ook menswaardig handelen, wat betekent dat de mens daarbij als doel en niet als middel geldt (Kant). Zo kan een menswaardige samenleving ontstaan, waarin mensen zich welbevinden en, ook als gemeenschap, geluk kunnen ervaren; alles wat daaraan afbreuk doet behoort tot het kwade, is slecht.

Ethiek is praktisch en raakt aan gevoelens. Niettemin is rationaliteit belangrijk want aan morele keuzes liggen redenen ten grondslag. Het betreft hier niet de theoretische rede, die op grond van argumenten logische gevolgtrekkingen maakt. Nee, als het gaat om moraal redeneert men volgens de regels van de praktische rede (Kant), waarbij morele overwegingen de keuze bepalen (wat behoort te worden gedaan?).

De theoretische rede is belangrijk voor het zorgvuldig in kaart brengen van de omstandigheden die een beslissing vergen: hoe is de toestand (theoretische rede) en wat behoort in die toestand te worden gedaan (praktische rede)?). Overigens: kenmerkend voor een morele keuze is dat, hoe doordacht ze ook is, er altijd een rest van onzekerheid blijft. Een onzekerheid die niet kan worden weggenomen maar tegelijkertijd een keuze niet mag beletten. Vandaar dat in het allerlaatste ogenblik, als het op beslissen aankomt, onvermijdelijk een vleug emotie de doorslag moet geven .

 

  1. MORAAL: WAARDEN EN NORMEN.

Menswetenschappen zijn niet alleen gericht op een beter begrip van de mensenwereld, ze zijn ook een poging tot beantwoording van de vraag: hoe valt individualiteit en uniciteit van mensen te verenigen met hun ingebakken sociale aard en onontkoombare sociale omstandigheden? Het antwoord is: daarvoor is het ontwikkelen van een ethiek (afspraken hoe met elkaar om te gaan) nodig. Ethiek beziet de samenleving vanuit het gezichtspunt van goed en kwaad met als maatstaf het geluk van mens en samenleving. Die poging resulteert in hetgeen menselijk samenleven mogelijk maakt, n.l. moraal: de feitelijk in een samenleving geldende waarden en daarvan afgeleide normen. Onmisbaar daarbij is moreel besef: het besef, dat een beoogd gedrag anderen in hun welzijn raakt. In de ethiek heeft het kwade dat nagelaten behoort te worden of het goede dat gedaan behoort te worden, altijd betrekking op het welzijn van de ander of de gemeenschap. Als je dat in je handelen meeweegt vertoon je moreel gedrag. Het tegendeel is immoreel gedrag: handelen of iets nalaten ten eigen bate ten nadele van anderen/de gemeenschap. Niet alle gedrag is moreel of immoreel. Soms is het a-moreel: het maakt moreel niets uit wat je doet of nalaat; gedrag kan dan verstandig (prudent) of onverstandig dan wel prettig of onprettig zijn.

Morele waarde: dat wat wenselijk is te houden te verkrijgen, te laten, te doen, enz. omdat het ten goede komt aan het welbevinden van mensen en   de leefbaarheid van het sociale verband waaraan ze deelhebben.

Intrinsieke waarde: een op zich zelf nastrevenswaardige waarde.

Instrumentele waarde: waarde als middel iets ander te bereiken.

Morele normen voor gedrag worden herleid uit waarden die deel uitmaken van een in een samenleving geldende moraal, eventueel wortelend in een omvattende levensvisie of ideologie

Morele deugd: een innerlijke geneigdheid die bijdraagt aan het welzijn van een samenlevingsverband.

Morele plicht: wat je m.b.t. anderen/de gemeenschap behoort te laten/te doen om het kwade te voorkomen of het goede te doen.

Waardenconflict: moeten kiezen uit een aantal niet tegelijkertijd te behartigen waarden: wat is de belangrijkste waarde?

Moreel probleem: moeten kiezen uit een aantal moreel aanvaardbare keuzemogelijkheden: wat de is beste keuze?

Moreel dilemma: moeten kiezen uit enkele moreel onaanvaardbare keuzemoglijkheden: wat is de minst kwade keuze?

 

  1. NORMATIEF-ETHISCHE THEORIEëN.

Deugd- en plichtethiek kunnen worden beschouwd als ethische dimensies die in hun wisselwerking elkaar steunen.

Deugdethiek heeft als kernvraag: welke redenen zijn er om een bepaalde persoonlijke geneigdheid (gezindheid) als gewenst te bevorderen of als ongewenst te ontmoedigen? Deugdethiek gaat terug op antieke filosofen als Plato, die stelde dat deugd als basis voor een gelukkig leven berust op inzicht en dus leerbaar is. Na 25 eeuwen geldt die stelling nog, zij het met de nuancering dat deugd niet alleen een rationeel/inzichtelijke, maar ook een gevoelsmatige (onberedeneerbare) component heeft. Op grond van deugdzaamheid zegt men dan onberedeneerd: ‘dat doe je gewoon (niet)’. Volgens veel critici was de beslissing van Merkel om de grenzen voor zovele vluchtelingen te openen zo’n beslissing: “wir schaffen das”, zonder oog voor mogelijke gevolgen.

In de grond verschillen mensen weinig in hun besef van deugd en ondeugd. Of: ik herken in de ander iets van mijzelf (vrij naar Levinas).

 

Voorbeeld: We vinden allen dat behulpzaamheid een persoonlijke deugd en algemene bevordering verdient. Immers in een samenleving waarin behulpzaamheid als algemene deugd geldt is goed toeven.

Voorbeeld: We delen allen het inzicht dat oprechtheid een deugd is die bijdraagt aan een voor ieder aangename samenleving.

Tegelijkertijd weten we dat de geneigdheid tot behulpzaamheid of oprechtheid niet bij iedereen in alle omstandigheden even sterk is. Maar zelfs iemand die het niet zo nauw neemt beseft meestal wel dat ze behoren te ‘deugen’, hetgeen blijkt uit pogingen voor zijn veelal onberedeneerde geringe behulpzaamheid of onoprechtheid verontschuldigingen aan te voeren. Deugdzaamheid leidt dus niet altijd vanzelf tot moreel juist gedrag. Vooral in moeilijke omstandigheden moeten er ook objectieve redenen zijn voor een moreel juiste beslissing. Daarmee komen we op de andere dimensie: die van de plichtethiek.

Plichtethiek heeft als kernvraag: welke redenen zijn er om een bepaald soort gedrag opzichzelf, dus los van iemands gezindheid of (geloofd)overtuiging als verplicht, toegestaan dan wel als ontoelaatbaar aan te merken? Plichtethiek gaat vooral terug op Kant: dat zoiets als oprechtheid goed is volgt uit de zedenwet, die wij door onze rede kunnen leren kennen en waarnaar we behoren te handelen. Het gaat daarbij niet om het bezit van oprechtheid als deugd, maar om de goede wil om ons aan de zedelijke wet te houden en dus niet te liegen. Kant’s plichtethiek is overwegend rationeel en gericht op de individuele mens. Zij vereist dan ook een nadere uitwerking, die tevens recht doet aan de sociale en emotionele aspecten van morele keuzesituaties.

Plichtethiek schrijft niet zozeer voor waartoe wij in een morele keuzesituatie verplicht zijn, laat staan dat wij altijd uit plichtsbesef zouden moeten handelen. Veeleer (en dat is vaak van groter belang) weerhoudt ze ons ervan om iets te doen of na te laten. In deze gedachtegang is de beroemde categorische imperatief een verbod om datgene te doen of na te laten, waarvan we niet zouden willen dat iedereen dat, al naar gelang het hem goeddunkt, zou doen of laten. Meestal betreft het dan zaken die algemeen als moreel onjuist gelden, zoals stelen. Waarom zou ik mij houden aan de categorische imperatief ‘steel niet’? De individuele reden is dat ik zelf niet bestolen wil worden en het besef dat anderen daarin niet van mij verschillen; de sociale reden is dat ik op grond van mijn deugdzaamheid besef dat willekeur op dit vlak bijdraagt aan een samenleving waarin mensen voortdurend voor elkaar op hun hoede moeten zijn.

Gevolgenethiek is voor beide hiervoor beschreven ethische dimensies een pragmatisch element in het proces van morele besluitvorming. Zeker als het betrekking heeft op besluiten van politieke organen en bedrijfsdirecties met mogelijk gevolgen voor het welzijn van grote aantallen mensen, is de gevolgenethische benadering onmisbaar. Voor zover er ook sprake is van een waardenconflict zal bij de uiteindelijke afweging waardenethiek een bijdrage leveren met als oogmerk pijnlijke gevolgen voor zoveel mogelijke mensen te beperken dan wel gunstige gevolgen voor zoveel mogelijke mensen te bewerkstelligen.

 

  1. ETHISCHE COMMUNICATIE.

Onderscheid moet worden gemaakt tussen communicatie over feiten (waardoor?>daardoor!) en die over morele oordelen (waarom?>daarom!). In het eerste geval kom je op grond van logische argumenten tot een feitelijke conclusie; nieuwe feiten en argumenten kunnen leiden tot een andere feitelijke conclusie, tot men ten slotte een ware feitelijke uitspraak kan doen. In het tweede geval heb je, gegeven de feiten, op grond van ethische overwegingen een morele keuze gemaakt; nieuwe feiten kunnen tot heroverweging leiden en tot een andere morele keuze, tot men tenslotte de naar omstandigheden meest verantwoorde keuze maakt (met die onvermijdelijke vleug emotie). In niet-morele zaken geven de feiten, in morele keuzesituaties ethische overwegingen de doorslag. Althans als er sprake is van een open communicatie. Daaraan schort het vaak bij verschillen in machtspositie. Macht is dan vaak doorslaggevend en zullen feiten resp. ethische overwegingen er dikwijls minder toe doen, al zal de niet al te brute machthebber die wel als rechtvaardiging aanvoeren.

 

  1. ETHIEK ALS PROCES.

In processen van besluitvorming en socialisering heeft ethiek, als het goed is, een belangrijke rol. Voorwaarde daarvoor is een mate van ethische gevoeligheid.

Ethische gevoeligheid, verstaan als emotionele ontvankelijkheid voor de morele aspecten van de menselijke situatie, is de voedingsbodem voor moreel besef. Moreel besef is een morele deugd want ze heeft het in zich om, zonodig na ethische analyse, rekening te houden met niet alleen het eigen welzijn maar evenzeer met het welzijn van anderen en daardoor bij te dragen aan het morele gehalte van een samenleving, waarin het goed leven is. Die bijdrage blijkt echter pas als de deugd ethische motivatie bewerkstelligt én zich uit in gedrag: in ethisch handelen. Een deugd kan niet, maar (voorgenomen) ethisch handelen kan wel aan een ethisch oordeel worden onderworpen. Dit raakt aan een kenmerkend onderscheid tussen deugd- en plichtethiek, waaruit tevens blijkt hoe de beide dimensies elkaar ondersteunen. Een deugd kun je niet opleggen een plicht wel. Er is geen garantie dat het in een samenleving met merendeels moreel deugdzame mensen ook goed toeven is. Dat is pas het geval als men zich uit moreel besef ook dienovereenkomstig gedraagt en daarin niet wordt gehinderd door een dominante groep, die aan moraal geen boodschap heeft. Dat laatste kan uiteindelijk resulteren in een cultuur waarin zelfs deugdzame mensen moreel afglijden. De kans dat zoiets gebeurt is niet zo groot als het merendeel, hoe (on)deugdzaam dan ook, zich houdt aan de geldende moraal. Iemand die neigt naar leugenachtigheid zal dan niet liegen vanwege de gevolgen die hij moet vrezen.

Waar komt ons moreel besef vandaan? Hoe komt het dat we op een gegeven ogenblik ons tot iets verplicht voelen of zeker weten: ‘tot hiertoe en niet verder!’? Dat komt doordat we mensen ontmoeten (voorbeeldfiguren) die in sterke mate een deugd bezitten, er naar handelen en dan iets tot stand brengen dat algemeen als goed wordt erkend. Dat proces van socialisering begint al in het gezin. Uiteraard heeft niemand alle deugden, die een samenleving leefbaar maken. De één is vooral eerlijk, de ander rechtvaardig, weer een ander verdraagzaam enz. Alles bij elkaar geven ze ons een besef van de voorwaarden voor een samenleving, waarin het goed leven is. Ook hier zien we de onderlinge samenhang van morele deugd en morele plicht: uit algemeen her- en erkende deugden groeit een moreel besef, gepaard gaande aan de ontwikkeling van morele waarden. Aan die morele waarden ontlenen wij normen voor wat wij moreel verplicht zijn te doen of na te laten met het oog op een samenleving waarin mensen zich welbevinden en gelukkig kunnen zijn. Een soortgelijke ontwikkeling doet zich voor m.b.t. het moreel gehalte van een organisatie.

 

  1. ETHIEK ALS WETENSCHAP.

Wijsgerige ethiek is de wetenschap van goed en kwaad met als opdracht systematisch nadenken over de grondvragen betreffende het goede dat de houding en het handelen van de mens moet bepalen. Het doel is methodisch aan te tonen welke de voorwaarden zijn voor een rechtvaardig, redelijk, zinvol handelen en (samen)leven. Wijsgerige ethiek is kritisch, zonder beroep op autoriteit of conventies, dus ook kritisch t.a.v. geldende moraal. De centrale vraag is: hoe kan individualiteit en uniciteit van mensen worden verenigd met hun inherente sociale aard en hun onontkoombare sociale omstandigheden met als uiteindelijke maatstaf het welbevinden/welzijn/geluk (eudaimonia) van mensen in hun sociaal verband. Daarbij dienen norm en waarde als begrippen scherp te worden onderscheiden: aan per cultuur verschillende gedragsnormen kunnen dezelfde universele (absolute) waarden ten grondslag liggen.

 

Deel 2: Inleiding Bedrijfsethiek.

  1. WAT IS BEDRIJFSETHIEK?

Bedrijfsethiek als afzonderlijke tak van de ethiek duidt op de opvatting dat bedrijven op het morele vlak een bijzondere positie innemen. Van oudsher geldt dat voor commerciële bedrijven die zich bewegen op een markt waar concurrentie de verhoudingen bepaalt. Dienstverlening van maatschappelijk belang, zoals electriciteitsvoorziening, post, zorg enz. werden aan de markt onttrokken en als instellingen van openbaar nut geplaatst onder verantwoordelijkheid van de overheid (de hoeder van ons aller belang). De overheid privatiseerde echter allerlei openbare dienstverlening en dwong die de markt te betreden Het gevolg is dat b.v. zorginstellingen (zorgbedrijven!) geconfronteerd worden met concurrentie. Dat leidde niet altijd tot een optimale toegankelijkheid van de instellingen. Die concurrentie en de daarmee gepaard gaande onoverzichtelijkheid (voor overheid en burger) heeft de overheid zelf in het leven geroepen of tenminste in de hand gewerkt. Zelfs diensten, die ze ooit overnam omdat concurrentie aan de maatschappelijke dienstverlening afbreuk deed, geeft de overheid opnieuw prijs aan de (instabiele) ‘tucht van de markt’.

 

De bijzondere positie van bedrijven betreft vooral het externe opereren van het bedrijf op de markt. Daar moet bedrijf X het opnemen tegen de bedrijven X1, X2 enz. die een deel van dezelfde markt trachten te veroveren. Welke vrijheid tot ethisch handelen blijft dan over? Het is een strijd of een spel waar regels van fatsoen gelden strokend met een besef van eerlijk zaken doen en die min of meer de geldende moraal weerspiegelen. Geldt op de markt, ter voorkoming van al te destructieve vormen van onderlinge concurrentie, niet overwegend de moraal van het al dan niet goed begrepen eigen belang? Is het niet zo dat consumenten dienen als middel om geld te verdienen? Denk alleen maar aan de wijze waarop men tracht jonge mensen aan de drank of de sigaret te brengen. Of ziet men in die kringen een consument niet als mens?

 

Het ligt anders als het gaat om het interne opereren van de organisatieleden onderling. Intern is het bedrijf geen markt maar een orgaan van samenwerking met het oog op bepaalde doeleinden. Richtinggevend voor het gedrag is daarbij het besef dat menswaardig handelen wezenlijk is voor een goede samenwerking, waarbij als criterium geldt het welzijn van de leden van de organisatie. Anders gezegd: in samenwerkingsverhoudingen zijn deugd- en plichtethiek op hun plaats. De gevolgen- en waardenethische benadering zal bij de besluitvorming dikwijls een noodzakelijke aanvulling zijn. De reden daarvan is de omstandigheid dat het bedrijf voortdurend rekening moet houden met de markt. Hier loert het gevaar dat het externe opereren van een bedrijf, meer dan nodig of goed is, zich weerspiegelt in de wijze waarop de onderlinge omgang van het personeel gestalte krijgt. Dan zou de werkplek de trekken krijgen van een marktplaats. Medewerkers kunnen dan neigen tot onderlinge wedijver met oog op een hoge plaats op de prestigeladder of een hoge individuele prestatiebeloning. Een open samenwerking met uitwisseling van ideeën behoort dan tot het verleden. In het minst ongunstige geval ontstaat er een uitwisseling op basis van ‘als jij dit, dan zal ik dat’, een soort transactie-ethiek.

 

  1. WAT MOGEN WE VERLANGEN VAN EEN BEDRIJF OP ETHISCH GEBIED?

In de personen die namens haar optreden is een onderneming een moreel subject. Wat niet betekent dat een bedrijf altijd moreel handelt of zich daartoe verplicht voelt. Het betekent wel dat een bedrijf moreel kan en soms moet worden aangesproken. We mogen in elk geval verlangen dat een bedrijf zich aan de wet houdt en het zich daarop laat aan te spreken.

 

  1. GEDRAGSCODES IN BEDRIJF EN BRANCHE.

Het gaat in dit hoofdstuk minder over ethische codes dan over gedragsregels/-codes onder de noemer van bedrijfscodes.

Terecht kennen enkele beroepen al sinds jaar en dag hun beroepscode. De verbreiding van gedrags- en bedrijfscodes dateert pas van de laatste 30 jaar. Het lijkt erop dat we ons steeds minder kunnen laten leiden door ons moreel besef en moeten terugvallen op regels, die ons vertellen welk gedrag geboden en welk gedrag ongeoorloofd is. Gedrags- en bedrijfscodes hebben vaak nog een lijnje met moreel besef, maar ze kunnen daarvan gemakkelijk los raken. Ze worden dan alleen gelezen als geboden en verboden: alles wat niet geboden is mag worden nagelaten en wat niet wordt verboden is toegestaan; regels nemen dan de plaats in van deugdzaamheid en moreel besef. Bij ontstentenis van moreel besef is een code als richtsnoer voor gedrag beter dan niets, maar gedragscodes hebben veel weg van een noodgreep ter compensatie van het gebrek aan een gedeeld moreel besef. Met als dreigend perspectief een vergaande juridicering van de samenleving. Een algemene, ethisch geïnspireerde bedrijfsfilosofie in samenhang met een breder ethisch beleid kan ertoe bijdragen dat de lijn met moreel besef in tact blijft of hersteld wordt, zodat het moreel gehalte van de organisatie ook los van codes op peil blijft of weer op peil komt.

 

  1. ETHISCHE ASPECTEN VAN DE BEDRIJFSCULTUUR.

De samenhang van deugd en plicht kan voor een arbeidsorganisatie worden vertaald in een samenhang tussen cultuur en moraal. Morele deugd en moreel besef (beide bepalend voor het moreel gehalte van de organisatie) behoren dan tot de bedrijfscultuur, terwijl morele plicht en de daaruit voortkomende gewoonten en regelgeving tot de bedrijfsmoraal kunnen worden gerekend. Evenals dat het geval is met deugd en plicht zijn bedrijfscultuur en -moraal in ondersteunende wisselwerking met elkaar verbonden. Doet zich een ontwikkeling voor waardoor die wisselwerking verzwakt of verloren gaat, dan kan dat ten koste gaan van het moreel besef van individuele personeelsleden en dus van het moreel gehalte van de organisatie. Dat doet zich nog sterker voor als bedrijfscultuur en/of -moraal negatieve impulsen krijgt. In dat geval kan de ondersteunende wisselwerking ontaarden in een krachten die het moreel gehalte van de organisatie ondermijnen.

Op den duur heeft dat tot gevolg dat iemand zich niet laat leiden door zijn moreel besef maar door de op de situatie betrekking hebbende regel. Nu kun je zeggen: is niet erg, als iemand zich maar aan de voorschriften houdt; inderdaad zijn de regels er niet voor niets en moeten ze, met of zonder moreel besef, worden nageleefd. Maar wat te doen als zich iets voordoet, waarin de regels niet voorzien? Een welwillend persoon zal handelen op grond van zijn moreel besef of zal raad vragen. Iemand die niet gehinderd wordt door moreel besef kan de leemte aangrijpen ten eigen bate, uitgaande van de veronderstelling dat wat niet wordt verboden, is toegestaan. Draait een bedrijf vooral op regelgeving dan is de kans aanwezig, dat moreel besef   los raakt van de bedrijfscultuur en moreel besef plaats maakt voor regelbewustzijn binnen een cultuur van morele onverschilligheid. Deugdzame mensen wordt het zo te lastig gemaakt hun morele besef te volgen en minder deugdzame mensen te eenvoudig om eigen baat voorop te stellen. De vraag waarmee men de regels raadpleegt is dan niet: ‘hoe kan ik in deze situatie het goede doen?’ maar: ‘hoe kom ik er het gemakkelijkst of voordeligst van af ?

Uit het bovenstaande blijkt weer het wezenlijke belang van de steunende wisselwerking van deugd- en plichtethiek, ook in arbeidsorganisaties. Een ander aspect daarvan is de verhouding tussen verstand en gevoel. Hoe zakelijk men in een bedrijf ook opereert, bij het nemen van beslissingen met een morele reikwijdte zal de eerder genoemde vleug emotie nooit kunnen ontbreken. Ook in dit opzicht zijn deugd- en plichtethiek elkaars steun. Een deugd zorgt er voor dat emotie en (redelijk) oordeel elkaar ondersteunen, zodat emotie niet het oordeel vertroebelt en het oordeel de emotie niet verstoort. Het redelijk oordeel maakt duidelijk waar de verantwoordelijkheid ligt. Vervolgens neemt een moedig (moed is een emotie) persoon de hem passende verantwoordelijkheid en beslist (doet zijn plicht) met alle morele consequenties van dien. Dat kan zich op alle niveaus van een organisatie afspelen. Ook de personeelsconsulent komt voor zulke beslissituaties te staan, zij het dat het meestal een beslissing betreft over de formulering van een advies. Opgemerkt zij, dat voor een consulent inclusief handelen minder passend is als het betekent: alle belangen in ogenschouw nemen en als onpartijdige scheidsrechter kiezen tussen de ene keer het eigen belang en de andere keer het belang van de ander…. .

In een organisatie met weinig samenhang kunnen er grote culturele verschillen bestaan. Dat hoeft het doelmatig functioneren van het bedrijf niet in de weg te staan; het kan zelfs functioneel zijn. Dat is niet het geval als in (een deel van) de organisatie zich een reactief individualistische of reactief opportunistische cultuur heeft ontwikkeld. Dat kan b.v. gebeuren als mensen wrevel voelen over het feit dat hen een sleutelpositie wordt toevertrouwd, maar ze desondanks met een lage status en betaling genoegen moete.

 

  1. SYNTHESE-ETHIEK.

De voorliggende beschouwing is een poging tot synthese van de deugd- en plichtbenadering in de wijsgerige ethiek. Daarbinnen of in het kader ervan is plaats voor andere, verfijnende benaderingswijzen. Daar het niet alleen gaat om een samengaan van benaderingswijzen, maar ook om een samenwerking tussen menselijke vermogens als verstand en gevoel, noem ik de hier ontvouwde beschouwingswijze: synthese-ethiek.

De eenzijdigheid die zowel de plicht- als de deugdethiek aankleeft, wordt hiermee overstegen. Bij deugdethiek is deugd moreel relevant, met als gevolg dat vooral de bedoeling een moreel oordeel ondergaat. Bij plichtethiek is de plicht moreel relevant en is het met die plicht verbonden gedrag aan een moreel oordeel onderworpen. Die eenzijdigheid wordt opgeheven door zowel deugd/bedoeling als plicht/gedrag te toetsen aan de oorsprong en maatstaf van alle moraal: een gelukkig leven (eudaimonia) of wel aan de gevolgen voor het welbevinden/welzijn van individuele mensen in hun sociaal verband. Aan de deugdzijde voorkom je daardoor het blijven steken in de moraal van de goede bedoelingen, terwijl tevens steeds opnieuw kan blijken welke deugden de gemeenschap ten goede komen en het daarom waard zijn te worden bevorderd of aangemoedigd. Aan de plichtzijde ontkom je aan de dogmatiek van ‘plicht is plicht’ en blijft de mogelijkheid open tot herbezinning op de geldende plichtmoraal.

 

 

  1. Slotopmerking.

Het bovenstaande is in feite een algemene inleiding in de ethiek. Ze dient als basis voor het omgaan met vraagstukken, die een ethische benadering vereisen. Ze is, anders verwoord, een wijzer bij het vanuit ethisch gezichtspunt beoordelen van de werkelijkheid; ook, als het bedrijfsethiek betreft, die van de bedrijfswerkelijkheid. <<<

 

© C.H. du Gardijn.

13-10-2017.

 

getuige(n) van bestaan