Humanisme. Medemenselijkheid als richtsnoer.

(Seculier) HUMANISME.

MEDEMENSELIJKHEID ALS RICHTSNOER.

 

————- Inhoud —————

 Proloog.

I. Van mensachtige naar mens.

  1. De naïeve en onbewuste mens.
  2. Verlies van naïviteit.
  3. De denkende en vragende mens.

II. Homo sapiens, die wij waren en zijn.

  1. De mens in verhouding tot de natuur.
  2. De mens in verhouding tot zichzelf als sociaal dier.

III. Typen levensbeschouwelijk geloof.

  1.  Godsdienst.
  2. Atheïsme en agnosme.
  3. Ideologie.
  4. Volgen van charismatisch persoon.
  5. Seculaire medemenselijkheid.
  6. Godsdienstig secularisme.

IV. Seculier denken in de geschiedenis.

  1. Tot en met de twintigste eeuw.
  2. Rond de eeuwwisseling.
  3. (Seculier) Humanisme nu.

V. (Seculier) Humanisme thans.
Vier samenhangende aspecten:

  1. Humanisme is een levensbeschouwing.
  2. Humanisme is een politiek en moreel streven.
  3. Humanisme is een streven naar een autonoom en zinvol leven.
  4. Humanisme is maatschappelijke betrokkenheid.

Epiloog.

—————————

Naar medemenselijkheid als richtsnoer.

Proloog.

Eerst was er de niet-bewuste mens.

Uit ’EDEN’: het leven in de hof van Eden/…// De zon kwam op de zon ging onder/…//…/ …// In het bos de wilde beesten/ Er was Adam er was Eva// Ze leefden met elkaar in vrede/ Zonder doel en zonder reden// Zij kenden oorzaak noch gevolg\ er was toekomst noch verleden// Ze waren en dat was genoeg/Te zijn zonder het te weten/// J.A. Deelder.

Dan de mens, die zich bewust wordt van zijn hachelijk bestaan.

Uit ’LIEFDE’:.…//Want leven is geen vast geluk, maar een rampspoedig/ Dolen in ’t labyrint/Van de gevoelens: wie de weg weet is hoogmoedig,/ Als onervaren kind. … ///  J.Slauerhoff.

Tenslotte de mens, die zich vragen stelt (en soms het ware antwoord meent te hebben).

Uit ’EEN LEGE PLEK OM TE BLIJVEN:’..//Geef mij maar de winter, het armoedige/ landschap, de akker zonder teken van/ leven, de kracht van de krakende heide././ Geef mij maar een paard in galop,/// Geef mij/ maar een vraag en geen antwoord.///  R. Kopland.

  

I. Van mensachtige naar mens.

1 . De naïve/onbewuste mens.
De mens komt voort uit een mensachtige die één was met de natuur waarvan voortbrengselen, zoals planten en andere dieren hem tot voedsel dienden en hem in leven hielden. De mensachtige was daarmee sterk afhankelijk van en kwetsbaar ten opzichte van de natuur. Aanvankelijk was de mens zich niet bewust van die afhankelijke kwetsbaarheid, evenmin als hij dat was van het eigen bestaan. Hij leefde in er ‘te zijn zonder het te weten’(Deelder), naïef, ’als onervaren kind’(Slauerhof).

2 . Verlies van naïviteit: de bewuste mens.
Door een evolutionaire speling werd de mensachtige geleidelijk wijs (homo sapiens) en verwierf een bewustzijn van zijn omgeving en zichzelf in een mate die elders in de natuur niet te vinden is. Dat plaatste de mens echter niet buiten, laat staan boven de natuur. Betekenisvolle verandering was wel dat de mens door zijn bewustzijn een besef kreeg van zijn hachelijk bestaan, kwetsbaar als hij was ten opzichte van de grillige, soms vijandige natuur waarvan hij afhankelijk was. Haar voortbrengselen waren voor hem immers levensnoodzakelijk. Ook kreeg de mens besef van hetgeen in het eigen, soms chaotische innerlijk,’’t labyrint van de gevoelens’(Slauerhoff) omging. De mens kreeg ook besef van leven en dood en daarmee besef van zijn eindigheid, hij ’ontwaakte’ en ontwaarde behalve zijn omgeving zichzelf. Een mythische verbeelding daarvan zijn de beide scheppingsfabels in de bijbel, ingeleid met de woorden: ’in den beginne’.

3 . De denkende en vragende mens.
Het verlies van zijn naïviteit maakte de mens tot een denker die worstelde met en zich vragen ging stellen over zijn plaats in de natuur met haar onbegrijpelijke grillen en zijn verhouding tot andere mensen (ethiek). Ook ging hij zich afvragen wat de eigen innerlijke, soms onderling tegenstrijdige behoeften en drijfveren en de dood voor hem betekenen. Op veel van die vragen heeft de mens geen enkelduidig antwoord. Toch had de in dit opzicht nog naïve mens daaraan behoefte. Zo ontstonden op die vragen in de loop der tijden uiteenlopende antwoorden. Dat leidde tot een waaier van levensbeschouwingen, die tot nu toe overwegend van godsdienstige aard (lijken te) zijn. De verschillende antwoorden verdeelden en verdelen de mensheid in kampen, die nu en dan onderling een heftige (woorden)strijd voeren. Dit ondanks het feit dat de strekking van de vragen die er aan ten grondslag liggen voor alle mensen de zelfde is. Die vragen zijn dus eigenlijk wezenlijker dan de antwoorden daarop (zie Kopland).

  

II. Homo sapiens, de mens die wij waren en zijn.

1 . De mens in verhouding tot de natuur.
De natuur overviel de mens keer op keer met onweer, langdurige droogte en andere vaak gevaarlijke omstandigheden. Die begreep hij niet, laat staan dat hij ze kon beïnvloeden. Hij stond immers niet boven de natuur maar was zelf natuur. Ook tegenover de dood stond hij weerloos. Dat bracht de mens er toe de eigen onmacht te compenseren door de verbeelding van en het geloof in hogere macht(en) die de natuur wél kon(den) beïnvloeden. Het begon er mee dat de mens achter elk natuurverschijnsel een god zag, Later werd dat steeds vaker één almachtige god. De mens ruilde daarmee zijn afhankelijkheid en kwetsbaarheid ten opzichte van de natuur in voor de zijn lot bepalende hogere machten (heidense goden) of één almachtige god (God, Allah o.d.). Van rituele samenkomsten, vaak onder leiding van een medicijnman of geestelijke, werd gehoopt dat ze de goden/god gunstig zouden stemmen. Rituelen versterkten ook de onderlinge verbondenheid door de gezamenlijke gerichtheid op hun god(en). Onderlinge samenwerking en onderlinge conflicten bleven tijdens zo’n ritueel op de achtergrond.
Omdat de geschetste verhouding tot de natuur deels ook voor vele nu levende mensen geldt, kan de verleden tijd soms ook gelezen worden als tegenwoordige tijd.

2 . De mens in verhouding tot zichzelf als sociaal dier.
De mens werd niet alleen overvallen door zijn weerloosheid tegenover de grillen van de natuur en de dood, maar ook door zijn onmacht om altijd op passende wijze om te gaan met enerzijds de afhankelijkheid van de eigen soms onderling tegenstrijdige strevingen en en anderzijds met de afhankelijkheid voor zijn bestaan van de andere mensen met hún strevingen. Dat bracht soms onderlinge spanningen teweeg bij de verdeling van voedsel of zeggenschap. De mens zag dat hij soms iets goeds deed maar vaak ook ernstig te kort schoot. Dat bracht hem tot het pijnlijke besef van eigen onvolmaaktheid waarmee hij in het reine moest komen. Des te prangender was dan ook de vraag naar de zin van zijn leven: waartoe dient mijn bestaan? Kortom, bij de mens groeide het gevoel zijn bestaan niet alleen aan te kunnen. Hij zocht daarom ook steun bij een instantie buiten en veelal boven zichzelf en zijn leefgroep. Die instantie moest ook zijn bestaan en handelen op aarde kunnen rechtvaardigen. Daaruit ontstond een stelsel met voorschriften, geboden en verboden.
De geschetste verhouding tot zichzelf geldt deels ook voor vele nu levende mensen, ook hier kan dus de verleden tijd soms als tegenwoordige tijd worden gelezen.

3. Geloofsverschillen.
De beschreven ontwikkeling leidde in de loop van de geschiedenis achtereenvolgens en ook wel tezelfdertijd tot verschillende (dikwijls onderling wedijverende) stelsels van levensbeschouwelijk geloof. Zo’n levensbeschouwelijk geloof zou de mens een houvast bieden in zijn onzekere aardse bestaan met mogelijk uitzicht op iets beters.

 

III. Typen levensbeschouwelijk geloof.

 1 . Godsdienst:
De verbeelding van en het geloof in één almachtig god die alles in de hand heeft en die op alle vragen en verlangens het antwoord heeft.
Die god geeft je steun, geeft je bestaan zin door tot hem te bidden en hem te gehoorzamen waarvoor hij je bij leven en/of na je dood beloont. De mens ruilt zijn afhankelijkheid van zichzelf en zijn medemensen in voor de overgave aan een almachtige God met als tegenprestatie een gelukkig hiernamaals. De geestelijkheid houdt deze verbeelding in stand. Periodieke rituele feesten (vieringen) dienen ter bevestiging van de gezamenlijke band met die ene god. Wat de mensen met elkaar verbindt is dat ze allen gehoorzaam zijn aan de god die hen steun en zekerheid biedt, ook in de omgang met elkaar. Dat laatste houdt in dat mensen zich op een gode welgevallige manier gedragen en met elkaar omgaan, soms ook met gunstige aardse uitkomsten.
Godsdienst was misschien ooit van betekenis en nuttig voor overleving van de mens in moeilijke omstandigheden en het handhaven van de onderlinge band. Voor velen in onze samenleving is die betekenis er nog steeds; in die zin is God geen onzinnige hypothese zolang ze niet verwordt tot de ware leer die blind maakt aardse werkelijkheid. Is dat wel het geval dan kan godsdienst onderdrukkend zijn. (Vandaar dat mensen die niet langer in god geloven maar de menselijke band niet kunnen of willen verbreken toch aan de rituelen blijven deelnemen. Zij zien god b.v. als symbool van hun verlangen naar innerlijke rust in een onzeker bestaan. Godsdienst kan de gelovige er toe brengen devoot zijn god te dienen maar zich niet te bekommeren om andere (andersdenkende) mensen. Het gevoel te maken te hebben met ’een mens als ik’ kan dan verloren gaan. Medemenselijkheid is dan ver weg. Dat leidt nog al eens tot oorlogshandelingen, zoals de islamitische veroveringen, de christelijke kruistochten. Ook het doden van anders-denkenden, aangemoedigd door welk godsgeloof dan ook, kwam en komt voor.

2. Atheïsme:
Het ontkennen van een godsbestaan en de verbeelding en de overtuiging dat godsdienst een belangrijke oorzaak is van de   verdeeldheid onder de mensen en de daarmee gepaard gaande onderlinge, soms geweldadige strijd. Deze overtuiging maakt aanhangers ervan tot bestrijders van het verschijnsel godsdienst. Daar komt wereldwijd gezien weleens geweld bij kijken, maar meestal is het een rationele (soms emotioneel geladen) woordenstrijd tegen een irrationeel geloof.

2a. Agnosme is de overtuiging over het bestaan van god niets te kunnen weten. Agnosten nemen er dan ook geen standpunt over in.

 

3. Ideologie:
De verbeelding van en het geloof in een alles omvattende door mensen bedachte (heils)leer, die op alle vragen en verlangens met betrekking tot het persoonlijke en maatschappelijke leven en de staatsinrichting het antwoord heeft. In deze situatie ruilt de mens (vrijwillig of gedwongen) zijn afhankelijkheid van zichzelf en zijn medemensen in voor de collectieve afhankelijkheid van een buiten hem staande almachtige ideologie die hem uitzicht biedt op een beter aards bestaan voor hemzelf of in elk geval voor zijn nageslacht. De geestelijkheid in de gestalte van de machthebber(s) houden deze verbeelding in stand. Periodieke feesten met een rituele inslag bedoeld ter versterking van de gezamenlijke gerichtheid op de doelen die eigen zijn aan de ideologie. De onderlinge verbondenheid van de mensen wordt voornamelijk uitgedrukt in een collectieve overgave aan een alles omvattende ideologie die hen steun en zekerheid biedt. Ook in de dagelijkse onderlinge omgang heeft men zich te houden aan ideologisch correct gedrag en denken. Als individuele burger is het moeilijk je daaraan te onttrekken .De neiging tot ideologie ontstond toen men ging beseffen dat godsdienst in de moderne wereld niet langer voldeed: de mens zelf zal onder sterk leiderschap vorm moeten geven aan een menselijke samenleving.
Een ideologie ziet er in theorie vaak prachtig uit. De geschiedenis toont echter aan dat ze in de praktijk bijna altijd ontaardt in een totalitaire staat: de sterke leider wordt dictator. Zo kan het gebeuren dat een ideologie zich ontwikkelt tot een (totalitair) dwangsysteem, zoals de voormalige Sowjetunie en haar satelietstaten. Niet mens en medemenselijkheid, en het welzijn van de bevolking maar de ideologie wordt dan maatgevend. Als uitvloeisel daarvan worden mensen die niet in het systeem passen buitengesloten, verbannen of soms gedood. Trouwens, ook In Nederland  hebben mensen die anders zijn of niet helemaal in het systeem passen het niet altijd gemakkelijk.

4 . Volgen van charismatisch persoon:
De verbeelding van en geloof in een mens, die bijzondere wijsheid bezit of toegedicht wordt. Hij heeft op alle vragen en verlangens van het leven een antwoord. Dit type zingevend geloof is er in vele vormen. Kenmerkend voor de meeste vormen is existentiële overgave (extase), soms individueel, maar vaker in groepsverband. Zelfs een heel volk kan in de ban van een Leider raken: Duitsland onder het Naziregime. Ook rond de Goeroe of charismatische Leider kent men rituelen die de gezamenlijke bewondering voor en verbondenheid met de Leider/Goeroe moeten bevestigen en versterken.
Helaas gaat het vertrouwen in de wijsheid van de goeroe vaak over in blind volgen ten koste van het verstandige denken. De hysterie rond de leiders van het onafhankelijkheidsstreven in Catalonië is daarvan een voorbeeld. En op kleinere onschuldiger schaal: Volgelingen van Bhagwan sloten de ogen voor het feit dat hun idool aan zijn goeroeschap veel geld overhield, blijkend uit zijn luxe leventje en de verzameling auto’s waarin hij rondreed.
Uiteraard is het mogelijk met behoud van het verstandige denken je te laten inspireren door een mens (met of ondanks zijn gebreken). Dat is zelfs één van de kenmerken van medemenselijkheid.

5. Seculiere medemenselijkheid:
De verbeelding van en het het geloof in de mogelijkheid dat mensen ondanks hun onderlinge verschillen en gebreken individueel en in onderlinge samenwerking in staat zijn een antwoord te vinden op vragen en verlangens omtrent de samenleving en hun voelend, denkend en handelend bestaan. Zij kunnen ook niet anders want in hun leven van alle dag zien en ervaren ze geen god, ideologie of goeroe die hen de weg wijst. Wel ervaren ze ten eerste het eigen aardse bestaan met zijn rijkdom maar ook zorgen en tobberijen en ten tweede ondervinden ze dagelijks hoe verrijkend maar ook hoe moeilijk de omgang met de medemensen kan zijn. Deze seculiere (aardse) wijze van denken is kenmerkend voor een humanist die in klein of groot verband streeft naar een samenleving waarin mensen in onderlinge vrede kunnen leven. Immers ook als mensen de zin van hun bestaan ’hoger op’ zoeken dan nog ervaren ze de dagelijkse zorgen. Voor de seculiere mens echter reikt de zin van zijn bestaan niet verder of hoger dan dit leven, deze wereld en deze tijd. (Dat geldt ook voor iemand die zich ’religieus humanist’ noemt: hij ervaart wel iets hogers maar beroept zich er niet op). Wezenlijk is dat de antwoorden nooit als definitief worden beschouwd. Er is altijd ruimte voor twijfel aan de juistheid van de tot dan toe gevolgde regels. Wat de mensen verbindt is het feit dat ze in hun onvolkomenheid en naar hun aard als sociaal dier voor hun overleven als individu van elkaar afhankelijk zijn. Mensen zullen daarom ook, al is het maar uit noodzaak samenleven en samenwerken en elkaars beperkingen onder ogen zien en te ondervangen. Mensen met deze levenshouding zoeken in hun onzekere bestaan hun heil niet in een instantie buiten of boven hen, maar zoeken zelf en/of vinden onderlinge steun. Hieruit ontwikkelt zich een ethiek, die nooit voor de eeuwigheid vast staat.

6. Godsdienstig secularisme:
Het combineren van een sterk mensgericht en maatschappelijk denken en handelen met op de achtergrond een godsdienstig of religieus geloof dat op de achtergrond wel invloed mag hebben maar niet allesbepalend is. Binnen het Humanistisch Verbond zijn de hierboven genoemde religieus humanisten daarvan een voorbeeld. Tijdens de renaissance had het opkomende zogenoemde humanisme veel overeenkomsten met het godsdienstig secularisme. Meer daarover in het volgende hoofdstuk.
Het bouwen aan een vreedzame samenleving zal gegeven de feilbaarheid van de mens veelal vergezeld gaan van vallen, opstaan en voortmodderen met slechts op de lange duur enig resultaat. Dit karwei lijkt/ is nooit af en vraagt veel geduld. Er is echter geen andere weg: het zijn de mensen die ongeacht hun geloof en levensovertuiging individueel en gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen voor de verwezenlijking of het behoud van medemenselijkheid in het maatschappelijk leven.

 

 IV. Seculier denken in de geschiedenis.

1. Oudheid.
Ver voor er sprake was van wat we nu secularisme noemen waren er al wijsgerige stromingen met het aards bestaan van de mens als begin- en eindpunt. Het Confucianisme in het oude China is zo’n stroming. Omstreeks dezelfde tijd (vanaf 500 v. Chr.) is dat binnen onze cultuurkring in de Grieks/Romeinse oudheid te vinden. Protagoras: ’de mens is de maat aller dingen’. Dat betekent dat de werkelijkheid samenvalt met wat ik hier en nu waarneem. Hij stelt dan ook: ’het is mij onmogelijk vast te stellen of goden al dan niet bestaan, want er is veel dat zulks verhindert: goden kan ik niet waarnemen en een mensenleven is zo kort’, het is de uitspraak van een agnost (=nietweter), iemand die het al dan niet bestaan van god in het midden laat omdat we daarover nooit iets zullen kunnen weten.
Iets later, tot rond het jaar nul, waren dat: Socrates: ’de mens is de bron van kennis’. Hij stelde mensen op straat vragen, waarop hij ook zelf nog geen antwoord wist). Epicuris: ’pijn vermijden, genot nastreven; laat genot liggen als de pijn erna groter wordt; mensen zijn onderling gelijkwaardig; de wereld is als los zand en heeft evenals het leven geen hoger doel’. Hij leefde zelf heel sober ’want voor genot heb je weinig nodig’. Seneca: ’de mens moet zijn lot aanvaarden en er verstandig mee omgaan, want lot is de natuur en mens is natuur, verzet daartegen is dus vergeefs’.

2. Renaissance.
In de veertiende eeuw ontstond er een stroming die het humanisme is gaan heten. Die stroming was meer dan voordien gericht op een zuiver menselijke, niet op god georiënteerde beschaving. De dragers van die stroming grepen daarbij terug op de oorspronkelijke filosofie van de klassieke oudheid. Het was een reactie op de scholastici (godgeleerden) die de Grieks/Romeinse filosofie, vooral die van Aristoteles, in hun christelijke mal hadden geperst. Filosofen van deze zogenoemde renaissance t.m. zestiende eeuw: Erasmus: streefde naar vereniging van een humanisme met een geloof zonder dogma’s; keert zich tegen misstanden in de kerk (Lof der Zotheid); stelt de mens in zijn dagelijks bestaan centraal, zonder god als bron ontkennen, en kan daarom als een vorm van religieus humanisme (of secularisme) worden gezien. Coornhert: ’erfzonde bestaat niet, deugdzaam leven onder leiding van het verstand; vrijheid van levensbeschouwing, ook voor atheïsten’. Montaigne: ’eeuwige waarheden bestaan niet, de mens is niet superieur’; hij dacht diep na over zichzelf en zijn bestaan en hoe zich die zich verhouden tot de natuur en andere mensen. Latere filosofen, tot de twintigste eeuw, stonden op de schouders van hun voorgangers van de renaissance: Spinoza: ’de Thorah is mensenwerk, spreekt zichzelf tegen en kan dus niet een bron zijn van kennis en wijsheid; goed leven door na te denken; god valt samen met de natuur en heeft niets met ons voor’; Diderot en d’Holbach: ‘grondslag en bron van kennis is de mens; de mens is niet een verheven geestelijk wezen maar een intelligent dier (aapje) van vlees en bloed’. Paradoxalerwijs leidde dit uitgangspunt juist tot een meer mensgerichte ethiek, niet gestoeld op abstracte denkbeelden en metafysische aannamen maar op de wens zoveel mogelijk leed te voorkomen.

3. Begin 21ste eeuw.
De diversiteit van levensbeschouwingen doet velen pleiten voor een onderlinge dialoog met als oogmerk het kweken van begrip voor elkaars geloof of overtuiging. Daar is niets op tegen maar anderen pleiten ervoor de aandacht vooral te richten op aardse noden. En dat in combinatie met vrijheid van levensbeschouwing en meningsuiting. Zij spreken niet van Humanisme of Atheïsme maar van Seculier Humanisme. Zo pleit Paul Cliteur in 2007 met zijn studie ‘Moreel Esperanto’ voor een autonome ethiek en een religieus neutrale staat. Dat komt dichtbij een seculier humanistische ethiek.

Hoewel de term in zijn naam ontbreekt kan het Humanistisch Verbond beschouwd worden als de belangrijkste vertegenwoordiger van het seculiere humanisme In Nederland. Ook al gedraagt het zich niet altijd ernaar.

4. In het voorgaande
schetste ik hoe de met de natuur verbonden mens zich heeft ontwikkeld van onbewust tot denkend en vragend wezen. Ook schilderde ik hoe de mens op basis van antwoorden zich is gaan verhouden tot de natuur, zich zelf en de medemensen. Ten slotte besprak ik wat de antwoorden betekenden voor de onderlinge verhouding van de mensen als sociale wezens. Het bleek dat vragen, die voor ieder mens een zelfde strekking hebben sterk verschillende antwoorden opriepen met als treurig gevolg onderlinge verdeeldheid en spanning. Vervolgens noemde ik enkele denkers, onder wie denkers van de renaissance die de klassieke filosofie opnieuw doordachten en die kunnen worden gezien als voorlopers van het hedendaags (seculiere) humanisme/medemenselijkheid en godsdienstig secularisme.

Een samenwerking tussen deze twee stromingen zou mogelijk vruchtbaar kunnen zijn.

 

V. Hoe staat (Seculier) Humanisme er thans voor?

     Vier onderling samenhangende aspecten:

  1     Humanisme is een levensbeschouwing die wordt gevormd, gevoed en geïnspireerd door de mens en diens vermogen en waardigheid. Mensen zijn natuurlijke wezens, voortgekomen uit, verbonden met en afhankelijk van de natuur. Mensen hebben vermogens, die hen in staat stellen een samenleving te scheppen waarin ze een goed, mooi en zinvol leven kunnen leiden. De mens kan dat alleen nastreven en mogelijk waarmaken binnen dit leven en in deze wereld, dus in zijn.alledaagse bestaan. Met zijn denkvermogen doet hij dat door belang te hechten aan kritisch onderzoek, logisch argumenteren, helder waarnemen en het aan de kaak stellen van dogmatisch, van de werkelijkheid los geraakte denken binnen welke godsdienstige, atheïstische, religieuze of seculiere levensbeschouwing dan ook. Dat geldt dus evenzeer voor mogelijk dogmatisme binnen de eigen overtuiging (van twijfel naar zelfkritiek). Met zijn (in)voelend vermogen doet hij dat door eigen gevoelens te onderkennen en te onderzoeken, zich in te leven in de gevoelens van anderen en, als dat nodig en mogelijk is, zich iets van hun lot aan te trekken. Mensen zijn zowel gevoels als rationele wezens. Die twee eigenschappen ondersteunen elkaar (zoals in het lied ’Imagine’ van John Lennon) maar zitten elkaar soms ook in de weg: het gevoel kan het verstand overvleugelen en omgekeerd. Als dat gebeurt kan dat dramatisch verkeerd uitpakken. Mensen kunnen en behoren elkaar daarvoor te behoeden.

   2        Humanisme is een politiek en moreel streven met menselijke waardigheid als centrale waarde en ijkpunt. Daarom hecht de humanist aan mensenrechten en de democratische rechtsstaat op seculiere grondslag. Een staat dus die niet stoelt op metafysische aannamen, zoals een goddelijke bron of andere onaantastbare ’waarheden’, maar op de tastbare levensomstandigheden en levensbehoeften van haar burgers. In zo’n rechtsstatelijke tevens seculiere samenleving ziet hij voorshands de beste (minst slechte) garantie voor vrijheid van levensbeschouwing en een leven in medemenselijkheid. Zij biedt de minste kans dat waarden als, rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, zorgzaamheid, vrijheid en verantwoordelijkheid uit het oog worden verloren. Voor de humanist is het een gegeven dat de mens zowel een zichzelf bewust individu als een van de groep/samenleving afhankelijk sociaal wezen is. Hij wenst als individueel persoon te worden herkend en erkend maar uit welbegrepen eigen belang beseft hij tegelijkertijd dat hij daarvoor afhankelijk is van anderen uit zijn omgeving die eveneens erkenning wensen. Mede aan de groep ontleent hij zijn identiteit. In deze tweeslachtigheid ligt de bron van zowel onderlinge spanning als gedeeld geluk en de kiem voor ethiek. Want zijn situatie dwingt de mens na te denken over de vraag: hoe kunnen en willen we als mensen met elkaar omgaan zodat genoemde waarden in de samenleving gestalte krijgen? En welk spreken en handelen past daar bij? Uit waarden ontwikkelen zich normen die uiteindelijk voor het gedrag richting gevend zijn. In de beoordeling van mensen mag hun levensovertuiging niet doorslaggevend zijn. Een mens mag niet be- of veroordeeld worden op grond zijn levensbeschouwing of politieke opvattingen, maar uitsluitend op grond van zijn gedragingen en handelingen (zijn handel en wandel); gedachten zijn vrij. Al kan een geschreven gedachte soms als een te veroordelen handeling worden opgevat.

   3        Humanisme is een streven naar een autonoom en zinvol leven. Autonomie betekent niet alleen relatieve, want waarden gebonden vrijheid, maar ook de vormgeving van een authentiek leven waarin de mens zich ontwikkelt en ontplooit. Het gaat in de humanistische traditie om het verlangen naar volledig menszijn, de veelzijdige ontplooiing van het individu en het ontwikkelen van menselijke vermogens in een vrije en vreedzame samenleving. Rituele feesten kent het humanisme, althans in Nederland, niet. Wel is op het persoonlijke vlak soms sprake van enig ritueel bij geboorte, huwelijk en begrafenis. Wellicht kan de al dan niet gezamenlijke beleving van schoonheid in de natuur, kunst en cultuur ook worden beschouwd als een mensen verbindend ritueel, evenals het jaarlijks congres van het Humanistisch Verbond.

   4        Humanisme is maatschappelijke betrokkenheid die gestalte krijgt in raadswerk in ziekenhuizen, leger en gevangenissen; uitvaartbegeleiding; maatschappelijke hulpverlening (Humanitas), ontwikkelingssamenwerking (Hivos), verdieping (bezinnings-en gespreksgroepen), persoonlijke en culturele vorming (tijdschrift Human), vormingsonderwijs op scholen en bijdragen aan politiek/maatschappelijke discussies.

Een humanistische levensvisie is nooit af maar laat ruimte voor twijfel en inspiratie door nieuwe vragen en ideeën.

Menselijke waardigheid is en blijft voor voor iemand met een humanistische levenshouding de onbetwijfelde leidraad. Wat ook blijft is het besef en de erkenning ervan dat we het als mensen onderling moeten zien te rooien en dat zulks, gegeven de menselijke natuur, gepaard gaat met tobberij, vallen en opstaan en opnieuw……

 

Epiloog.

Als medemenselijkheid richtsnoer is dan geldt voor ieder mens:

Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet (soms moet je iets laten).

Of: Ga met de ander om zoals je zelf wilt dat de ander met jou omgaat (soms moet je iets doen).

Onlosmakelijk ermee verbonden is Inleving in de ander als mens (zie Levinas).

 

John Lennon zong ooit:

Imagine there’s no heaven, It’s easy if jou try.
No hell below us. Above us only sky.
Imagine all the people living for today.

Imagine there’s no countries, it isn’t hard to do;
no things to kill or die for and no religion too.
Imagine all the people living life in peace.

Imagine no possessions, I wonder if you can.
No need for greed or hunger. A brotherhood of man.
Imagine all the people sharing all the world.

You may say I’m a dreamer,
but I’m not the only one.
I hope someday you’l join us,
and the world will live as one.

———————————————————————

Utrecht, 01012015, 08012018.

© Kees du Gardijn.

getuige(n) van bestaan