Herinneringen 1936-1945

ONBEKOMMERDE KINDERJAREN IN KOMMERVOLLE TIJDEN.

Herinneringen van Kees du Gardijn
*25 februari 1936 — 30 september 1945.
Thuis: Wormerveer, Wandelweg 125, pal naast onze boek- en kantoorboekwinkel  ‘Ons Boekhuis’ aan Plein ’13.

1 .1936 – 1941, het Wijker strand en Bakkum.
— ´s Zomers ben ik vaak met mijn een jaar jongere broertje Hennie een dag aan het strand. We gaan er per fiets heen. ’s Zondags met pappie en mammie, maar vanwege de winkel kan dat niet op doordeweekse dagen. Toch zijn Hennie en ik vaker in Wijk aan Zee te vinden. Dit dankzij de oppas van een dienstmeisje of een ‘tante’ ,    een ongetrouwde vriendin van moeder. Nu en dan zet de oppas ons beiden in de gehuurde bolderkar en maken we een ritje over het zand langs de vloedlijn. Tegen de zon dragen we breed gerande witte hoeden. Na enige tijd keren we terug naar onze eveneens gehuurde strandtent. Aan het einde van de middag peddelt de oppas terug naar Wormerveer met Hennie voor en ik achter op de fiets.
—. Gedurende de zomervakanties verblijven we doorgaans in ons zomerhuisje op een vakantiepark te midden van de duinen bij Bakkum. Zo ook in 1941. Op een zonnige en enigszins winderige dag sta ik te vliegeren met een door Oom Jan gebouwde vlieger. Die staat nu als een stipje zo hoog aan de hemel. Maar ik doe wat in oorlogstijd verboden is: een politieman maant me de vlieger neer te halen.
—. Na de zomer van 1941 mogen we van de Duitsers het strand niet meer op en de duinen niet meer in. Ook ‘Bakkum’ wordt militair en dus verboden gebied.

2. Februari 1939 – juli 1942, de bewaar(Fröbel)school.
1. Ik ben net drie geworden en ik mag naar school. Die eerste dag brengt mammie me naar de bewaarschool aan de Fröbelstraat. Ze praat even met de juf en vertrekt. De juf brengt me naar mijn bank. Ik vind het op school leuk. Na het uitgaan van de school loop ik door de Fröbelstraat en over de stoep (“wel op stoep blijven!”) van de drukke Wandelweg via de winkel naar huis. In de winkel vertel ik pappie en mammie: “fijn op school geweest.”
2. Het is mooi weer en het zand achter de school is droog. Ik sta vooraan bij het uitdelen van de houten schepjes. De gaafste reikt de juf het eerst uit. Andere jongens duwen me opzij, dringen voor en krijgen mooie schepjes. De juf ziet het: “hier Kees, deze is voor jou.”
3. Het is warm. Ik zit met enkele andere kinderen onder de veranda. We praten over wat we aan onze voeten hebben. Mijn schoeisel valt op doordat ik klompzolen draag. Bij minder warm weer draag ik, net als de meeste kinderen, klompen.
4. Het matjesvlechten lukt steeds beter en ik krijg steeds smallere strookjes gekleurd papier die ik tot een mozaïk moet verwerken. Dat gaat me niet altijd gemakkelijk af.
5. Juli 1942. Alle kleuters en de drie-juffen gaan op de foto. Eerst buiten achter de school. Daarna ga ik met Hennie in een schoolbank op de foto.
6. Na de vakantie mag ik naar de GROTE SCHOOL!

3. Ergens in februari of maart 1940.
Met Pappie ga ik met de trein naar Amsterdam. Het perron van aankomst is onder de glazen overkapping wat schemerig. Een trap naar beneden brengt ons naar een nog donkerder tunnel, al branden er wel enkele lampjes. En dan lopen we het station uit en de stad in: een heel andere wereld dan Wormerveer. “Zo moet het ongeveer zijn als je dood gaat: van de aarde door een donkere tunnel naar de hemel,” bedenk ik.
Op de terugweg gaan we door dezelfde tunnel en met dezelfde trap omhoog naar het perron. De trap heeft stootborden met emaille reclameplaten voor Welfschoenen. Ik schop ertegen, dat maakt zulk lekker geluid. Het is inmiddels gaan schemeren. Vlak na het vertrek van de trein gaan er de lampjes branden.

4. Vrijdag 10 mei 1940.
Vroeg in de ochtend zitten pappie en mammie, Hennie en ik in de ook overdag sombere achterkamer (de zonniger voorkamer was aan de winkel geofferd). Even daarvoor zijn we wakker geworden door gerommel als van onweer. Het is echter geen onweer maar het geronk van vliegtuigen boven ons huis. “Wat is er gaande ?” Pappie zet de radio aan: schokkend nieuws, de Duitsers zijn Nederland binnen gevallen. Pappie legt uit wat er aan de hand is: “de Duitsers willen ons land veroveren omdat ze vinden dat Nederland een deel van Duitsland moet worden met Hitler als onze baas in plaats van de koningin.” De bijna acht maanden.oude Martje slaapt boven intussen rustig door.
– Enkele dagen later zie ik in de richting van Amsterdam donkere rookwolken.

5. 10 mei 1940 – 5 mei 1945: oorlog en bezetting.
Onbezorgd kind in zorgelijke tijden.
1. Sinterklaasavond 1940. Ik krijg een mooie trein op rails, maar de Sint valt voor mij door de mand: ¨Sinterklaas heeft een baard van watte.¨
2. Half zittend op het kozijn van de etalage zit ik voor de winkel in het zonnetje. Van daaruit is er een duidelijk overzicht over het plein en de provinciale weg naar Amsterdam. Voor de bezetter is dat vermoedelijk ook de reden om er soldaten te stationeren in het geval er een Duitse colonne langs komt. Nu staan ze er weer en daarom ben ik er ook heen gegaan. Het zijn aardige mannen; één van hen vertelt over zijn zoontje, die even oud is als ik. Hij geeft me een reep chocola. Als de colonne uit het zicht is verdwenen stappen de soldaten op de fiets, zwaaien naar mij en vertrekken.
3. Er marcheert een peloton Duitse soldaten langs ons huis. Ze zingen: “denn wir fahren gegen Engeland /-/Engeland!” en “Erika! /-/-/-/ Erika!” Klinkt mooi, vind ik.
4. Pappie spreekt na het eten een dankgebed uit: “Heer wij danken u van harte voor nooddruft en voor overvloed; der menig mens eet brood der smarte, hebt gij ons mild en wel gevoed. Maar geef dat wij niet aan dit vergankelijk leven kleve en eindelijk eeuwig bij U leve.” Ik vraag: “dat vergankelijk leven, is dat omdat het oorlog is?”
5. Tegenover onze achterpoort aan de Celebesstraat staan op het grasveldje van Jan Dekker paarden van het Duitse leger. Door het hek heen proberen ik en enkele andere kinderen ze op hun hoofd te aaien. “Vorsicht!” hoor ik een soldaat roepen.
— Intussen verkondigen de Duitsers op spandoeken op voorhand hun eindzege: ”V=Victorie, want Duitsland wint voor Europa op alle fronten.”
6. Pappie, mammie, Hennie, Martje (in het wandelwagentje) en ik komen terug van het wandelrondje naar het zwembad van de badmeesters Pet en Spreeuw en terug over het houten bruggetje bij boer Graas. Er staan voor ons huis en aan de overkant van de wandelweg groepjes mensen te praten: iemand had zich verschuild achter de heg van ons voortuintje, maar was ontdekt. Terwijl hij probeerde te vluchten werd hij neergeschoten.
7. Pappie wordt door Duitse soldaten opgehaald en weggevoerd naar Schoorl; hij moet aan de Atlantikwall werken zegt mammie. Na ongeveer een week komt pappie weer thuis. “Ik moest schuttersputjes graven” vertelt pappie. Hij ziet er uit alsof hij terugkeert van een strandvakantie. Pas veel later vertelt mammie: “een Duits konvooi op weg naar Den Helder kon niet doorvaren omdat het verzet de Zaanbrug onklaar had gemaakt. Pappie zou pas weer thuis komen als het konvooi verder kon varen naar Den Helder of anders zou hij misschien ……!” Maar gelukkig is pappie dan al lang en breed weer veilig thuis.
8. Ik moet als 6-jarige zwemmen leren. Op het droge leer ik, hangend in touwen, de schoolslag. Daarna moet ik in het pierenbad echt leren zwemmen. Zodra ik in het water lig krijs ik: “nee, ik wil eruit, ik wil eruit!!!”
– Het jaar erop nog eens geprobeerd. Weer gil ik het uit zodra ik het water in moet.
– Weer ruim een jaar later (1944), de zomer is dan al voor de helft voorbij, verkeert mijn waterangst plotseling in waterliefde; nu wil ik nu zo snel mogelijk leren zwemmen. Ik maak goede vorderingen. Achtereenvolgens zwem ik in een tuigje, aan de hengel en aan de lijn.Helaas rest er onvoldoend tijd om nog de zelfde zomer het zwemdiploma te behalen.
– Na de bevrijding gaat het zwembad halverwege het seizoen open. Ik ga weer op zwemles. Ik zwem al achter de stok. De schoolslag gaat me al goed af, maar de rugslag kost veel moeite en tijd. Ik blijk een rugslag van me zelf te hebben en die moet ik eerst afleren. De beloning komt op een koude dag in september: in water van 60 graden Fahrenheit behaal ik bibberend mijn Zwemdiploma’s A en B.
9. Op een warme zomerdag wordt Hennie in druipende kleding thuis gebracht. Hij was tegenover het kippenweggetje dat op de Zaankade uitkomt in het water gevallen. Een timmerman had hem gered. Pappie vergoedt de duimstok die bij de reddingsactie was gebroken.
10. Geronk van vliegtuigen maakt mij wakker; ik ga naar het raam om te kijken. Er klinken schoten en ik zie zwaaiende lichtbundels langs de donkere hemel. Het geronk wordt minder en sterft dan weg. Ik kruip het bed weer in,
11. Ik lig boven in bed een spannend boek te lezen. Ik hoor de bel. Kort daarop komt pappie mij vertellen dat een politieman hem heeft opgedragen mijn raam te verduisteren.
12. Met pappie zit ik in de trein naar Amsterdam. Pappie moet er enkele zaken regelen. Dat doet hij vaker en soms mag ik mee, nu dus ook. De conducteur knipt de kaartjes.
–Terwijl pappie in bespreking zit speel ik met de ‘paternosterlift’. Na gedane zaken gaan we naar de Bijenkorf. Helemaal boven drinken we wat. Ik kijk over de reling naar beneden en zie ver in de diepte mensen krioelen.
– Als we terugreizen is de avond al gevallen. In de trein brandt niet, zoals voor de oorlog, het elektrische licht. Het is dus donker in de trein die daardoor vanuit de lucht minder goed zichtbaar moet zijn. Er komt geen conducteur maar wel een Duitser: “Ausweiss bitte!”
13. Pappie heeft vaak last van hoofdpijn en daarom gaat hij naar een homeopathische arts in Amsterdam. Ik heb er ook weleens last van en mag mee. Van af het station naar de dokter lopend zie ik een bord met met het opschrift ´Juden Viertel/Joodsche wijk´. Hier wonen veel Joden,” legt pappie uit. ´Oh!´
De dokter schrijft korrels voor. Alvorens op de trein te stappen drinken we hoog in de Bijenkorf koffie en limonade.
14. Tegenover de achterpoort van ons huis aan de Celebesstraat staat aan de rand van het Jan Dekker-terrein een flink uit de kluiten gewassen ligusterhaag. Kinderen klimmen er vaak in. Op een dag doen Hennie en ik dat weer´s. De heg is pas gekortwiekt, wat klimmen makkelijker maakt. Ik zit heel hoog als een twijg onder mijn voet doorbuigt en ik naar onder wegglij. Gelukkig weet ik mij in mijn val vast te grijpen, zodat ik niet helemaal op de grond beland. Wel schampt mijn been de puntige snijrand van een aan de stam achtergebleven stukje van een gesnoeide tak. Die veroorzaakt aan de binnenzijde van mijn linker been, iets onder mijn knie, een diep gat. Jankend van de schrik en de pijn loop ik naar huis waar pappie de wond schoonmaakt en verbindt.
– Enkele weken later, in de schoolvakantie, logeren we in ‘s Graveland bij een familielid van opa. De ‘oom’ drijft daar een schildersbedrijf. In de sloot achter het huis ligt een zeilboot. “Morgen varen we daarmee naar het meer,” zegt oom. Zo gezegd, zo gedaan. Pagaaiend varen we door de sloot die op het meer uitkomt. Ik zit op de voorplecht met mijn trappelende voeten in het niet al te schone water Op het meer gaan we echt zeilen. Ik vind het prachtig. ‘s Avonds varen we door dezelfde sloot terug.
– De schoolvakantie zit er op. Ik voel me niet lekker. Ik ben een beetje verkleurd, vooral het oogwit is merkwaardig geel. Pappie belt de dokter, die mij s´middags onderzoekt. Het is “hepatitus” zegt de dokter. “Geling,” zegt Pappie en dat snap ik. “Je moet de komende drie weken in bed blijven en daarna een weekje uitzieken.” Na bijna vier weken extra vakantie ben ik beter en kan ik weer naar school. Ik nu in de tweede klas met dezelfde aardige juf als in de eerste klas.
15. Hoog aan de heldere hemel zie ik vliegtuigen. “Ze gaan Duitsland bombarderen” vertellen omstanders mij met een opgewektheid, die ik ook wel deel. De Duitsers hier willen ze uit de lucht schieten; dat lukt niet vaak, daarvoor vliegen ze meestal te hoog. Een enkele keer is het toch raak. Dan zie ik bij een vliegtuig een steekvlam en stort het toestel al wentelend en brandend ter aarde. Achter het vliegtuig zie ik een streep die na enkele minuten is opgelost. Ik denk toch even aan de mensen in het vliegtuig, brrr…
16. Schuin aan de overkant van de Wandelweg staat achter het hekje van haar voortuintje vaak een oude vrouw naar ons spelen te kijken. Soms zegt ze een vriendelijk woord. Op een dag draagt ze ineens een ster op haar jas. Enige tijd later denk ik: “wat heb ik haar lang niet gezien.” Ik vraag het pappie: ”ze is Joods en moet naar een werkkamp.”
17. Pappie zegt: ”niet likken aan je mes en als je het toch doet, doe het dan zo…., je snijdt dan in elk geval niet je tong eraf”.
18. Op een warme dag in de zomer van 1944 fietsen Pappie, Mammie, Hennie (op eigen fietsje), Martje (achterop bij Pappie) en ik (op mijn al bijna grote fiets (met blokken) naar Alkmaar. Bij Heilo zie ik een groot gebouw met een groot rood kruis op het dak. “Dan ziet de bemanning vanuit hun vliegtuig dat het een ziekenhuis is en zullen ze het niet bombarderen” vertelt pappie. We fietsen verder naar en door Alkmaar. Als we de stad aan de noordwestkant willen verlaten stuiten we op een versperring van stalen spaanse ruiters en betonblokken. Door een smalle opening en langs twee soldaten kunnen we verder naar het zwembad dat niet ver meer is.
– Rond 12 uur komen we aan bij Pezie´s Bad. Eerst eten we van de mee gebrachte boterhammen. Ik ben al van mijn watervrees genezen en heb veel plezier in het koele water, al mag ik nog niet in het diepe. Op een ogenblik beveelt een Duitse officier de zwemmers het diepe bad te verlaten. Dan komt er een groep soldaten die één voor één op bevel de hoge springplank beklimmen en er op een tweede bevel van afspringen. Sommigen doen dat met verve, anderen lijken bang, treuzelen en krijgen een grote bek, ze moeten toch. Dan zie ik dat enkelen met hun zware bepakking niet goed kunnen zwemmen. Dreigt een soldaat kopje onder te gaan dan grijpt hij een reddingshaak die een collega hem vanaf de kant voorhoudt. Met die haak sleept de reddende soldaat de spartelaar naar een trapje waarlangs de ongelukkige zwemmer omhoog de wal op klimt.
19. Wat later in die zomer van 1944 lopen mijn vriendje Jaap en ik donderjagend in noordelijke richting langs de Zaan. Dekschuiten liggen doelloos drie rijen dik aangemeerd. We springen van de ene naar de andere dekschuit. Er liggen ook kleinere boten. Met één ervan schommelen we net zolang tot hij bijna water schept. Zo struinen we de Zaan langs tot aan de fabriek van Wessanen even ten noorden van Wormerveer. In de Zaan zien we een Duits konvooi in zuidelijke richting langzaam voorbij varen.
Na wat rondgedoold te hebben gaan we terug. Even voorbij de Hervormde kerk gaat het luchtalarm af. We lopen nog even door en rennen dan naar de winkel van Cjamin op de hoek Zaanweg/Marktstraat. Veel mensen deden dat al eerder en het is dus proppen geblazen. Er heerst een gespannen sfeer en er gaan wildangstige verhalen: het station is gebombardeerd en ook Wormerveer Zuid is getroffen en staat in brand. Daar is mijn huis! Ik houd het niet langer uit, verlaat Cjamin en ga op verkenning uit. Jaap is nog banger dan ik en blijft nog om het einde van het luchtalarm af te wachten. Ik loop zo dicht mogelijk langs de gevels van de Zaanweg richting mijn huis. Ik nader de Stationsstraat. Een spannend moment. Ik kijk om de hoek en voel me meteen geweldig gerust gesteld: het station staat er net zo bij als toen we er op de heenweg langs kwamen. “Dan zal het met het brandende Wormerveer Zuid ook wel meevallen,” denk ik. De sirene geeft intussen het sein veilig. Ik loop verder en inderdaad zie ik al gauw dat er niets aan de hand is: Wormerveer zuid ligt er bij als vanouds. Een kwartier later ben ik thuis.
20. Mijn schooljaar begint half augustus 1944. Ik zit in de derde klas bij een onaardige oude juf. Zij roept mij voor de klas om op het bord een staartdeling voor te doen, want “dat kun je zo goed.” Dat doe ik, maar in mijn zenuwen doe ik iets verkeerd. Juf wordt boos, schuift mij hardhandig aan de kant en verbetert mijn fout. Ik huil van spanning. “En nou nog janken ook,” snauwt ze mij toe.
21. Het is dinsdag 5 september 1944. Iedereen verwacht dat de geallieerden ons binnen enkele dagen komen bevrijden. N.S.B.´ers, Duitsers en Duitsgezinden vrezen de bevrijders en vluchten richting Duitsland. Ik zie ze in een lange stoet over de Wandelweg lopen en fietsen. Het blijken echter loze geruchten, we blijven bezet.
22. Zondag 17 september 1944. Mammie ligt in het dorpsziekenhuis, ze krijgt een baby. Mijn zusje wordt nog dezelfde dag geboren, ze heet Lobregtha. De volgende dag ga ik op bezoek. Ik zeg tegen Pappie: ”Lief hè?’’
23. Mijn school aan de Goudastraat wordt gevorderd, de Duitsers maken er een kazerne van. Vanaf begin oktober 1944 moet ik daarom schoolgaan in een oude fabriek in Wormerveer Noord. Voortaan hoef ik niet zes dagen maar drie dagen per week naar school. Wel krijg ik huiswerk mee.
– Ruim een maand later zit ik met mijn jas aan in het koude klaslokaal op de eerste verdieping van de fabriek als het luchtalarm afgaat. Net als de andere kinderen kruip ik onder de schoolbank die nu als schuilplaats dient. Vlak bij klinken schoten van de Duitse luchtafweer. Dan krimp ik van schrik door een snel aanzwellend gierend lawaai. Nu word ik echt bang. Van onder mijn bank zie ik in een oogwenk een vlammend vliegtuig langs scheren. Vlak daarop hoor ik een doffe klap en is het stil. De Duitsers zijn gestopt met schieten. De sirenes geven het sein veilig. Opgelucht kruip ik onder de bank vandaan. De les gaat verder.
Onderweg naar huis zie ik iemand bij een gaarkeuken de resten eten uit een grote gamel schrapen.
24.Vanaf begin oktober verdwijnen achtereenvolgens voorzieningen als electra, gas en kraanwater.
– Aanvankelijk maak ik mijn schoolwerk nog onder een electrische lamp. Na het wegvallen van de stroom doe ik dat onder het licht van een gaskousje. Dat geeft bijna nog helderder licht dan de electrische lamp. We proberen ons te behelpen met een fietsdynamo, waarmee we om de beurt trappend een accu laden. Dat levert tenminste nog een beetje stroom.
– Even later valt ook het gas uit. Koken doen we voortaan op de potkachel. Water koken we in een grote ketel die een eind de kachel in gaat, zodat de vlammen het water rechtstreeks kunnen verhitten.
– Weer wat later in het najaar komt er ook geen water meer uit de kraan, maar we zijn voorbereid: de regenton voor het huis bewijst nu goede diensten. Watertekort hebben we nooit gehad, mede omdat we een rondlopend eindpand hebben met veel meters goot.
25. De vader van een vriendje is dood geschoten. Volgens pappie heeft het verzet dat gedaan omdat hij de Duitsers had geholpen.
26. Om de te geringe omzet van de winkel aan te vullen zetten pappie en mammie een onderwijsinstituut op. Pappie geeft boekhouden, mammie steno en typen en een meneer van buiten Engels. Het ritme van het typen op muziek dringt door tot de zolderverdieping waar wij jongens slapen.
– Een andere inkomstenbron is de bibliotheek in de vroegere achterwoonkamer met romans uit eigen winkel aangevuld met een door pappie opgekochte partij. Er wordt veel gelezen en dus veel geleend. We bewonen nu de slaapverdieping en de zolder; al met al wel wat krap.
27. Met mijn sterke 78-jarige opa maak ik in december 1944 een tocht naar het platteland van Noord-Holland. Het doel is niet zozeer verzamelen van etenswaren maar van brandhout. Het is koud en op de terugweg sneeuwt het. De tocht slaagt: we komen thuis met een bakfiets vol stammetjes en wat aardappelen.
28. In de hongerwinter fiets ik elke week naar een boerderij van een bevriende boer en boerin om melk, kaas en andere etenswaren te halen. Ik rij op het groene kinderfietsje waaraan ik al lang ontgroeid ben. Pappie zegt dat ik dan een kleinere kans heb om aangehouden te worden.
Op een dag maak ik tijdens zo´n tocht een benauwd kwartier door. Twee vliegtuigen schieten op elkaart. Onderaan de dijk duik ik weg en maak me zo klein mogelijk. Ik hoor scherven in de nabije sloot plonsen. Na een kwartier stort één van de vliegtuigen neer en vliegt het andere weg. Ik haal opgelucht adem, kruip de dijk op en fiets met de etenswaren verder naar huis.
29. In de winkel is weinig te doen. Pappie heeft daardoor meer tijd voor knutselen. Hij timmert van platen triplex o.a. een pakhuis met deuren en ramen. Moeder naait baaltjesl met meel, aardappelen, kolen en wat niet al. Met de hijsinstallatie hijsen Mart, Hennie en ik die naar de eerste of tweede verdieping van ons pakhuis.
30. Eens in de week gebruiken we bij ‘oom’ en ‘tante’ K. een maaltijd, zoals we dat thuis de laatste tijd niet meer gewend zijn. Op het dressoir staat een foto vaneen jongeman in het uniform van de R.A.F. “Dat is onze zoon; hij sneuvelde in de strijd tegen de Duitsers”, zegt ‘tante’ K. Het eten van mammie is wel wat schraler maar echt honger hebben we nooit. Dit dankzij vaders contacten met boeren. Ik ga wel vaak naar de gaarkeuken bij het benzinestation zonder benzine van garage Zwart.
— Ergens in maart eten we Zweeds wittebrood met roomboter.
31. Januari 1945 is een koude maand. Het vriest weken aaneen en er valt veel sneeuw. Hennie, Mart, ik en vriendjes uit de buurt, Klaas, Joop, Freek, Ineke, Dick en anderen genieten ervan. We hebben een sneeuwhut gebouwd waarin we echt tegen de sneeuw kunnen schuilen.
32. Op 29 april 1945 vertelt pappie dat Hitler dood is. ¨Maar denk erom, de Duitsers zijn nog de baas in Wormerveer.

6. De vreugde van de bevrijding met niet alleen lichtzijden.
1. Het is vrijdagavond 4 mei 1945 in spertijd. Het is een uur of negen, het is nog licht. Ik ben al boven om naar bed te gaan. Ineens hoor ik in plaats van doodse stilte het rumoer van opgewonden pratende mensen. Ik loop de trap af en met pappie ga ik naar buiten. Daar vertellen de mensen dat de Duitsers zich hebben overgegeven.
— De volgende dag, 5 mei, weet iedereen dat de bezetting eindigt.
2. Begin mei. Ik zwaai met een Nederlands vlaggetje aan een lange stok naar piloten in laag vliegende bommenwerpers. Zij hebben net voedsel afgeworpen.
— We eten dikke Amerikaanse bisquits.
3. Nederland is bevrijd. Ik loop in de buurt wat doelloos rond. Ik hoor geschreeuw en ga erop af. Ik zie enkele mannen en tussen hen in vrouwen. Die mannen schelden de vrouwen uit en zijn bezig ze kaal te knippen. Het gaat er vreselijk ruw aan toe. Ik hol meteen naar huis.
4. Ik zie de ondergrondse wraak nemen: ‘oom’ K. slepen ze hardhandig zijn huis uit . (Hij had nog gewezen op de rouwfoto van zijn als R.A.F.-piloot gesneuvelde zoon, vertelde hij later). ‘Oom’ K. was N.S.B.-lid, wat ik niet wist. Hij had niets landsverradelijks begaan en daarom laten ze hem al gauw weer lopen.
5. Kort na de bevrijding wandel ik naar Amsterdam. Het Noordzeekanaal kan ik lopend oversteken want de pontenbrug ligt er nog. In Amsterdam wandel ik wat rond in de mij vertrouwde stukjes van de stad. Al gauw keer ik weer huiswaarts. Onderweg stopt naast mij een automobilist en vraagt waar ik heen wil. “Naar Wormerveer” antwoord ik. “Stap maar in” zegt de aardige meneer, die zich voorstelt als Van Heyningen. Hij is commandant van de Zaandamse brandweer. Bij Plein’13 zet hij me af, keert de auto en rijdt naar Zaandam.
6. Begin juni is het bevrijdingsfeest. Ik doe mee met zaklopen en word derde.
7. We eten grote biscuits uit de legervoorraden van onze bevrijders. Ze worden bij de kruidenierswinkels aangevoerd in grote blikken. Wij jongens proberen zoveel mogelijk van die blikken te bemachtigen. Want door ze aan elkaar te knopen kunnen we er prachtige vlotten van maken. Ze hebben een groot drijfvermogen en we varen ermee op de Zaan.
8. Enkele maanden later is de aanvoer over de Zaan van grondstoffen voor de oliefabrieken weer opgang gekomen. Wij jongens proberen op het fabrieksterrein te komen en de naast de grijper gevallen kokosbrokken te vergaren. Uiteraard mag dat niet en de portier probeert ons tegen te houden. Dag oom K. zeg ik tegen de portier. Een jongen bijt me toe: “is die landverrader jouw oom!?”
9. De winkel komt in de zomer weer tot leven, vooral door de vele opnieuw verschijnende kranten en tijdschriften zoals Panorama, Wereldkroniek, Libelle, De Lach, Parool, Vrij Nederland en andere. Nieuw is het tijdschrift ‘Kijk’ met uitgebreide verslagen van de oorlog met Japan en de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.
—En iets nieuws: de Reynolds ballpoint (balpen of kogelpen) In plaats van een schroefdop, zoals bij een vulpen, heeft dit schrijfgerei een schuifje, niet om een pen, maar om het kogeltje.waarmee je schrijft voor beschadiging te behoeden. Ze zijn goedkoop en gaan grif van de hand.
10. Intussen hebben de Duitsers mijn schoolgebouw ontruimd en in de loop van augustus kan ik weer naar school. Ik zit nu in de vierde klas en deze keer gelukkig weer bij een aardige meester.
11. Het is speelkwartier, wij kinderen krioelen spelend en ravottend op het schoolplein of onder de bomen aan de rand er van. De bovenmeester blaast op een fluitje en in een mum van tijd verzamelen wij ons per klas op de daarvoor bestemde plaats naast het schoolgebouw. De juf of de meester kijkt nog even of iedereen er is en vervolgens worden we naar ons klaslokaal geleid.
12. Al gemeld: op een koude dag in september 1945 haal ik mijn zwemdiploma’s.

© Kees du Gardijn, 24082018.
_ _ _ _ _ _ _ _ _

getuige(n) van bestaan